“Die Stellenbosche kerl kom weer”

Vijf jaar nadat ik een half jaar lang ‘studeerde’ in Stellenbosch, keer ik terug naar Zuid-Afrika, deze keer maar voor drie weken, tezamen met de ‘traditionele vier’ Bram, Bert, Jochen en Bruno.
In de luchthaven van Amsterdam wordt aan één van ons gevraagd of hij een zakmes in zijn handbaggage heeft. “Een zakmes, weet ik niet, maar wel een mondharmonica”, was het laconieke antwoord. Het zakmes bleef in Amsterdam. Hoe het mes de controle in Zaventem passeerde, is mij een raadsel. We zijn gewaarschuwd, vanaf nu staan we zelf in voor onze veiligheid. In 10 uur tijd wisselen we zomer voor winter. ‘Johannesburg by night’ lijkt vanuit het vliegtuig een hoop smeulende as. In de reisgids lees ik dat in Zuid-Afrika “52 moorden per dag worden gepleegd, 1 verkrachting per 1,5 uur en een autodiefstal elke 9 minuten”. Als veiligheidstip staat er “steeds glimlachen, dat helpt”. Nochtans schrijft Mandela in zijn biografie dat net deze mesthoop de humus was die politieke bomen als hijzelf en Oliver Tambo heeft voortgebracht. Zonder Apartheid, geen Mandela. De geweldloosheid van hun leiders, vinden we jammer genoeg niet terug in Jo’Burg. Huizen zijn niet omgeven door prikkel- , maar door scheermesjesdraad. Blijkbaar heeft Mandela bij de implosie van het Apartheidsregime een vulkaanuitbarsting aan geweld vermeden, maar het reservoir aan geweld smeult nu blijkbaar ondergronds verder. Deze provincie heet nochtans “Gauteng”, land van goud, omwille van de goudmijnen. Om de karaatswaarde van goud te kennen, moet je het zodanig onder druk zetten dat het smelt. We zijn vast van plan de goudwaarde van dit land dan ook uitvoerig testen.

Bij onze aankomst vriest het in Jo’Burg. De zwarte taxichauffeur Eric die ons naar de Gemini Guesthouse brengt, roept dat hij gisteren “sneeuvlokkies” heeft gezien en dat hij hoopt “to run naked in the snow”. De dag erop bezoeken we Jo’burg en de township Soweto. De tweede dag al vertrekken we met onze gehuurde Volkswagen Kombi naar Kruger, het Soweto van de natuur. De avond van onze aankomst in Olifants Camp, maken we per jeep een ‘night drive’. We lijden twee uur lang kou en zien niets meer dan de reflecterende ogen van impala’s. Daarna hadden we meer geluk, en niet enkel met het weer. ’s Morgens rijden we naar de startlocatie voor een begeleide ‘mountain bike ride’. Op weg ernaar toe zien we enkele leeuwen en hun welpen. Tijdens de fietstocht snijdt een nijlpaard ons de pas af, terwijl de ranger zijn geweer schoudert, leggen wij ons fototoestel aan voor het meest dodelijke dier van Afrika. Op de terugweg moeten we plots afstappen, buffels, 300 stuks, het kreupelhout kraakt langs alle kanten, het (politiek correcte) ‘swart gevaar’ houdt ons met hun kleine ogen in hun grote zwarte koppen in het oog, we proberen te glimlachen terwijl de ranger mompelt ‘best mountain bike ride ever’. Terwijl we die dag Kruger doorkruisen op weg naar Berg-en-Dal, zien we olifanten, neushoorns, giraffen, ‘phumba’s’ en een luipaard. Bij onze aankomst kunnen we gedurende enkele minuten ‘genieten’ van de jacht van enkele – uiterst zeldzame – wilde honden op een troep impala’s en kijken toe hoe er eentje voor onze neus wordt neergehaald. Zoals Bert het stelde “we moeten het zelf op foto zien om te geloven dat we dit allemaal in 24 uur hebben gezien”.

Eénmaal Kruger verlaten, rijden we naar de Drakensbergen, maar overnachten onderweg in Ladiesmith, waar we de enige poging tot misdrijf op deze reis ondergaan, iemand trekt aan de deurklink van de wagen terwijl we toekijken vanuit het restaurant.
In de Drakensbergen, maken we vanuit de Sani Guesthouse twee bergtochten. ’s Avonds leren we een paar Afrikaners kennen in het één-straat-dorpje Himeville. Zoals steeds zoeken ze snel contact en zijn opvallend hulpvaardig, een eigenaardige eigenschap voor de grondleggers van Apartheid. Stamt dit uit de Voortrekkers-tijd, uit noodzaak om te overleven in een vreemde wereld? Zuidafrikanen lijken ruwe ‘kerls’ die enkel vlees lusten en dan enkel op de ‘braai’ (= barbecue) en rugby spelen. Nochtans getuigen ze van veel smaak door de wijze waarop ze het uitzonderlijke natuurschoon van hun ‘beloofde land’ beschermden en ontwikkelenden ze een eigen taal vol sierlijke beeldspraak. Een paradoxaal volk dat bij referendum apartheid invoerde en bij referendum weer verwierp, weliswaar onder druk van een internationale economische blokkade (trouwens één van de weinige keren dat dit middel efficiënt bleek).
Vanuit de Drakensbergen trekken we naar Umkomaas, aan de Indische oceaan, 50 km onder Durban. We willen er een ‘sharkdive’ doen. Diepzeeduiken temidden de enige tijgers in Afrika: tijgerhaaien. De receptionist van guesthouse Lala Manzi draagt een T-shirt met daarop een duiker met eronder ‘sharkmate’ en een surfer: ‘sharkbate’. Het stelt ons toch niet helemaal gerust. Omdat de zee de eerste dag te ruw blijkt, zien we ons gedwongen een kleine golfinitiatie te volgen. Volgens onze leraar ‘moet je golf spelen zoals een cheetah loopt: terwijl je lichaam in volle beweging is, mag je hoofd geen millimeter bewegen en moeten je ogen onafgebroken op de prooi (het balletje) gericht zijn’. Mijn ‘handicap’ blijkt nogal hoog.

De tweede dag is de zee ons beter gezind en krijgen we op het strand uitleg over hoe we ons moeten gedragen in de nabijheid van haaien … “een tijgerhaai controleert eerst de omgeving, dus ook jou. Als hij dreigt tegen je aan te botsen – hij heeft geen achteruit – plaats dan je handpalm op de neus en duw hem naar beneden zodat hij onder je door zwemt”. Het enige waar onze instructeur ons niet voor gewaarschuwde, was zeeziekte … de oorsprong van het woord “hang-over” is enkele van ons nu volkomen duidelijk. De zee was eerder wild en daardoor stelde de eerste (gewone) duik niets voor. Daarna volgde de ‘sharkdive’. Nadat we net de vinnetjes boven water zagen aankomen en even daarna vlak onder de zodiac dertig ‘black tip’ haaien van ongeveer 2 meter de zee beginnen omwoelen, springen we doodleuk ook zelf in het water. Eén van de instructeurs slaagt erin de luchtflessen slecht te monteren waardoor slechts twee met de haaien kunnen diepzeeduiken (waarvan één op een haaischouderduw wordt getrakteerd), twee met de haaien zwemmen en één op de zodiac blijft worstelen met de haai in zijn maag en zijn ontbijt als aas aan de oceaan toevertrouwt. De tijgerhaai zelf krijgen we jammer genoeg niet te zien omdat de zee al te ondoorzichtig is, daarom een niet minder indrukwekkend ervaring.

Van Umkomaas vertrekken we de volgende morgen naar Jeffrey’s Bay. We rijden doorheen de Transkei. Ik lees ondertussen het boek De Plaag (van de Vlaming David Van Reybroek, aanrader) waarin de Zuidafrikaanse samenleving wordt vergeleken met een capucino: onderaan een brede bruine laag, bovenaan een smalle laag wit, met enkele chokoladeschilfers. In Umkomaas zaten we in de witte crème, in de Transkei duiken we  prompt de onderlaag in. Hier zien we geen enkele blanke. Onder apartheid was de Transkei het vergaarbekken van de arbeidsongeschikten, maar ook de ‘homeland’ van Mandela. De streek waar hij leerde ‘dat geschillen onder de boom werden uitgepraat tot er een compromis uit de bus komt’. Langs de weg doorheen de Transkei liggen aangereden dieren en staan borden die waarschuwen voor het gevaar van HIV. Wat gebeurde er ondertussen met de politieke erfenis van Mandela? Het land kent voor het eerst in decennia gedurende 10 jaar een onafgebroken economische groei, die sinds twee jaar 4-5% bedraagt. De criminaliteitscijfers stabiliseren (of plafonneren?), maar het onveiligheidsgevoel stijgt dramatisch. Een zwarte middenklasse krijgt stilaan vorm en de 20% armsten hun inkomen bestaat al voor de helft uit uitkeringen, een verdubbeling in 5 jaar tijd. Het gaat beter met Zuid-Afrika dan ik had durven hopen. Maar het land leeft op (maar liefst) vier tijdbommen, een criminele (nog steeds), economische, medische en een politieke. 40% is werkloos en dit cijfer daalt niet. 15% is besmet met HIV, terwijl de overheid blijft verkondigen dat naast retrovirale middelen, ook de traditionele geneeskunde een plaats heeft. De politieke tijdbom heet Jacob Zuma. De voormalige vice-president – net vrijgesproken van verkrachting – verkondigt dat ‘achteraf douchen een HIV besmetting uitsluit’. Nadat hij officieel van corruptie werd beschuldigd, zette Mbeki hem af. Zuma doet volgend jaar een gooi naar het voorzitterschap van het ANC en in ’09 naar het presidentschap. Deze machtsstrijd doet ondertussen ook de machtige vakbond Cosatu haast scheuren. Ondertussen eist de communistische partij een landhervorming ‘à la Mugabe’ onder dreiging anders de Alliantie met het ANC te verlaten. De strijd om ‘de ziel van het ANC’ is definitief ingezet. Het ANC heeft een 2/3 meerderheid in het parlement. Of de prille democratie in Zuid-Afrika de lente van de vrijheid overleeft, is volledig afhankelijk van het democratisch gehalte van het ANC zelf. De nu (deels terecht) internationaal verguisde Mbeki zou na zijn termijn wel eens hard gemist kunnen worden.
We rijden Jeffrey’s Baai binnen. Het is de eerste plek waar ik reeds eerder was, de eerste herinneringen aan plaatsen, maar ook vrienden. Sommige zie ik nog regematig, van anderen rest enkel een versteend emailadres. ‘Le voyage extérieur’ wordt voor mij nu ook een beetje een ‘voyage intérieur’. Een reis door land en tijd. Ik printte mijn dagboek van toendertijd uit en lees het nu opnieuw.

De eerste dag in Jeffrey’s Baai zien we een paar dolfijnen vanuit onze guesthouse, die uitgeeft op het strand (die Sandkasteel), maar de golven hebben er blijkbaar minder zin in. We rijden dan maar naar de lokale ‘driving range’ en slaan voor 2 euro 120 golfballetjes tussen de 150 meter en 5 cm ver door de staalblauwe lucht. ’s Namiddags wisselen we de golfstick voor de golven van de Indische oceaan. ‘Wavesurfing’ blijft mijn favoriete sport. Al dobberend op je bord de pols van de golfslag voelen om net op tijd de juiste golf uit te kiezen om even boven het water uit te zweven. Terwijl ik sta te brullen van plezier op mijn bord ‘big as a boat’, passeert op de achtergrond onverstoorbaar een walvis, ‘als een druppel in de oceaan’.
Na twee dagen trekken we naar Tsistikamma National Parc, ‘plaats van veel water’ waar de golven van ver komen aanrollen om zich bulderend te pletter te gooien op de rotsen. Vanaf nu zijn we in de Western Cape. De provincie met de meeste afrikaners en dus ook het meest Afrikaans, dat baby-Nederlands vol beweging. ‘Ons skrijf soos ons praat’. Voeg er maar aan toe ‘ons praat soos ons sien’: hijsbak, langnekpeerd, … en het pornoblad loslyf. Het is ook de plaats waar je het best dat fameuze gele zonlicht ziet waar fotografen wereldwijd voor naar Zuid-Afrika reizen. Het is ‘de Mandela van de fotografie’, het ontsnapt aan elke donkere kamer van het apparaat, ook het mijne. In tsitsikamma is er geen lichtpollutie en dus is de sterrenhemel indrukwekkend, iemand zoekt de Grote Beer, zonder succes. ’s Morgens sta ik om 5u30 op om de zonsopgang te fotograferen, net zoals in Kruger. Wanneer de zon opkomt om 6u30 besef ik pas ten volle hoe groot het land wel is. Ondertussen heb ik alle tijd om te kijken naar het constante gevecht tussen zee en land. Het is het Israel van de natuur, elke wapenstilstand is tijdelijk. Net zoals dag en nacht elkaar onophoudelijk bekampen, zo stuurt de zee haar kamikazestrijders onzichtbaar op het land af om vlak voor ze toeslaan stemloos bulderend zich met een luide knal te pletter te gooien op de vlijmscherpe rotsen. Wie iets verder de zee in kijkt, ziet echter de totale rust. Dat geldt ook voor ons, het schuim staat nog op de lippen, maar wie wat dieper kijkt, ziet de toenemende kalmte.

De volgende middag springen Bruno en Bram van de hoogste bungy brug ter wereld: 120m of 4 sec vrije val van een brug van 180m … ‘fear is temporary, regret is forever’ staat op het T-shirt. ’s Avonds doen we nog een ‘canopy tour’, een tocht van boomtop naar boomtop langs kabels 30m boven de grond. Eén van de kabelbanen noemt gatstamp … Als er twee van een brug springen … dan moeten er drie uit een vliegtuig springen. 24h later, in Plettenberg Baai, duiken we vanop 3000m hoogte naar beneden. 39 sec vrije val boven ‘the most scenic dropzone in the world’ met zicht op tsitsikamma en de talloze walvisjes langsheen het schiereiland … ‘a glimpse of the world through God’s eye, the way it was intended to be’ (Out of Africa). We weten nu hoe Icarus zich voelde toen hij te dicht bij de goden kwam …
Nadat we al vier keer papieren tekenden om afstand te doen van de aansprakelijkheid van de organisator, menen we dat het genoeg geweest is. Het Zuidafrikaanse goud werd nu voldoende diepgaand getest … 24 karaats. ’s Avonds doen we nog een korte kayaktocht in Wildernis National Park en de morgen erop staan we opnieuw in Plettenberg voor een ‘ocean safari’ om diezelfde walvissen nu vanop 15m te bekijken.
Daarna rijden we naar Kaapstad. Vlak voor Kaapstad, in de Valse Baai, liggen Kayelitsha en Michell’s Plain: 20 km township waar de enige bescherming tegen criminaliteit de straatverlichting ’s nachts is. De indrukwekkende natuur en rijkdom van Kaapstad scherpt het contrast met dit litteken van apartheid nog aan. Wat houdt hen tegen om gewoon te beginnen plunderen? Hoop? Is de Tafelberg wel degelijk ‘the tip of the Titanic Africa still sticking out of the water’ zoals een Afrikaner het mij 5 jaar geleden uitlegde? Volgens mij is er wel degelijk hoop, maar dan zonder Jacob Zuma. We logeren in guesthouse Ashanti, op de slopen van Tafelberg. Wanneer we enkele malen ‘een stapke in de wereld zetten’ in Long Street, valt op dat, hoewel blank en zwart naar dezelfde fuiven gaan, zij amper mixen. Verscheidenheid, maar zonder eenheid. Ook al is de “rainbow nation” meer als optisch bedrog, de kleuren zijn nog duidelijk gescheiden. We rijden naar Cape point, waar de Atlantische en Indische Oceaan samenkomen, maar zien niets. De Kaapse mist is als een witte muur. Het enige wat we zien zijn bavianen, – “baboons in the mist” volgens Bram – en Kaap de Goede Hoop. Enkel Zuidafrikanen noemen een klif waar zovelen schipbreuk leden, “Goede Hoop”. Wanneer we Tafelberg bezoeken, hebben we meer geluk, zelfs het ‘tafellaken’ – het immer aanwezige wolkendeken op de top – is er niet, de zon wel, net zoals de afgelopen twee weken (tijdens de winter). Nadat Bert en Jochen met een paar bedelende jongens brood en melk (vol of halfvol, niet simpel als je met meerdere bent) gaan kopen, rijden we naar Stellenbosch. ‘Die Stellenbosche kerl kom weer’. De weg zoeken in die vergeten straten blijkt toch een beetje een verwarrende ervaring. Ik vraag mij nog steeds af welke wind mij er ooit toe gebracht heeft deze kaap te nemen? Stellenbosch is niet veel veranderd en ik ook niet. Maar mijn doortocht hier heeft mijn leven toch wel een iets andere richting gegeven.
De voorlaatste dag bezoeken we nog enkele wijnhuizen. We beginnen in ‘Rust en Vrede’. Hun wijn werd uitgekozen voor het ‘Nobel Prize Dinner’ van Mandela. Ik denk dat hij vooral voor de naam koos. Daarna trekken we naar een wijnhuis met een naam die onze reis wat beter beschrijft Spier. Het wijnhuis is maar 40 jaar jonger dan Zuid Afrika zelf en uit de namen op de etiquetten in de winkel kan je haast de geschiedenis van het land aflezen: Allesverloren, Meerlust, Buitenverwachting, Kanonkop, Slanghoek (uit Woeste) en eentje uit Swartland. Ten slotte passeren we een wijnhuis met de naam Soverby

Print Print

Geef een reactie




No comments yet.

About

Over deze Blog

We mogen hierbij niet enkel naar de dingen kijken zoals ze zijn en ons afvragen: waarom? Het is hoog tijd om nieuwe ideeen te lanceren en ons af te vragen: waarom niet?

Peter’s Twitter
 
RSS