Ik ben sinds woensdag terug van een reis van een dikke 3 weken door Vietnam met Bruno, Bert en Jochen. Op 9 augustus landen we in Hanoi, hoofdstad van Vietnam gelegen aan de oevers van de Rode rivier met een vochtigheidsfactor van 78 % bij 30 C°. Ons lijf verandert ogenblikkelijk in een rivier van zweet! Hanoi is één grote chaos. We raken constant de weg kwijt, aan het einde van de eerste dag kent de hele buurt ons, maar wij niets of niemand. Maar gelukkig zijn de Vietnamezen zeer hulpvaardig, elke 100 m vraagt wel iemand “Motorbike? Marihuana? Suckie fuckie?” We gaan enkel in op het eerste aanbod en huren vier vespa’s. Als easyriders cruisen we dan door Hanoi, enige verkeersregel: wie laatst claxoneert, heeft voorrang. Onze topsnelheid: 65 km/u, Jochen demonstreet zelfs een “wheely” (op 1 wiel). ’s Avonds willen we ons parkeren, maar één van ons staat nog in eerste, schiet vooruit, schampt af tegen een betonnen paal en boort zich op het drukste plein van Hanoi op het spitsuur in een zee aan vespa’s, ramt een verbouwereerde Vietnamees in de flank en komt zo halverwege de straat alsnog tot stilstand. In de bar op datzelfde plein vragen ze deze maal – in tegenstelling tot gisteren – spontaan naar onze parkeertickets … Even later blijk ik mijn sleutels kwijt te zijn, wat wordt opgelost door een slotenmaker in 10 minuten. Totale kost van deze ravage: 130. 000 dong of 7 EUR en dat zonder al te veel “af te dongen”, toerisme is in onze ogen immers de hoogste vorm van ontwikkelingssamenwerking. De grootste chaoten in Vietnam zijn wij! Tot zover onze ‘motorcycle diaries’.

De dag erna vertrekken we voor een driedaagse boottocht naar Ha Long – “daar waar de draak neerdaalde” – een baai temidden van reusachtige rotsblokken die uit de zee oprijzen, UNESCO werelderfgoed. We maken er ook een kayaktocht, geheel verlaten te midden van een landschap gelijkend op de slotscène van Lord of the Rings I, elk ogenblik die reusachtige beelden verwachtend … de tijd liet mij los en liep ijlings heen … indrukwekkend! Als ik ooit op zoek ga naar de bron van de eeuwige jeugd of de Heilige Graal, begint mijn tocht zeker hier! Eenmaal terug op de boot, drogen Bert en ik onze tourguide af in het armworstelen, terwijl onze schippers verzonken in een heilige stilte onze Ché’s en Menzo’s doornemen.

Onmiddellijk na Ha Long, vertrekken we naar de bergen van Sa Pa, om er de Fan Si Pan te beklimmen, de hoogste berg van Vietnam (3100 m). Welkom in de ‘Misty Mountains’, we zullen nooit de top van de Fan Si Pan zien. Omdat de trein vertraging heeft, stormen we de berg op, gevolgd door onze twee dragers die elk haast hun eigen gewicht dragen (35-40 kilo!), dwars door de mistige jungle, langs riviertjes die zo weggelopen zijn uit Tour of Duty, constant tot over de enkels in de modder, getrakteerd op regenbuien die beginnen en eindigen net zoals je het licht aan en af zet. We arriveren drijfnat in het “basecamp”, wat riet over de modder met daarboven een bashe, waar we s’avonds enigszins verkleumd genieten van onze beste maal tot dusver, rond een kampvuur temidden van dampende schoenen en kleren. De volgende morgen beginnen we de finale klim naar de top, we stormen opnieuw naar boven, maar na een goed uur zet iemand de regen aan, als een juffrouw houden we onze regenjassen omhoog om er niet over te struikelen, de bril constant bedampt, waar we durven stoppen, verzamelen massa’s muggen zich rond ons hoofd, we klimmen voor gek modderdreven omhoog alsof de Vietcongs achter ons aan zitten, maar stranden toch op 3000m, zonder water, geheel doorweekt, droog brood veroberend met de hulp van een appelpeer, met op onze schouder de klauw van de heimwee en langsheen onze natte ruggen de slang van de kou … I see a red door and I want to paint it, black … Een gekende communistische wijsheid stelt “that the goal is not to move up in society, but to move in”. We did not move all the way up the mountain, but we did move into the Tour of Duty experience! ‘s Avonds staan we terug in Sa Pa en besluiten wat te gaan poolen, waar plots Pi, Chi en Milo binnenvallen. Drie meisjes van de plaastelijke volksstam “Hmong”, gekleed in traditionele kledij en ruim drie duim hoog. Ze dagen ons in vloeiend Engels uit voor een partijtje pool, maken ons uit voor loser, met bijhorend L-teken op het voorhoofd. We winnen toch 2-1, waarna ze beginnen te kaarten als volleerde croupiers in een casino. Toegegeven, we zijn onder de indruk! Deze Hmongs zijn de superlatief aan Vietnamese humor, een nationale sport, steeds verscholen achter die schijnbaar emotieloze aziatische gezichten. Nog nooit hadden we in een ander land het gevoel dat er even veel met ons werd gelachen als wij met hen. Maar anderszijds staat de taalvaardigheid van deze Hmongs in schril contrast met die van het gros van hun landgenoten. Eerste regel in Vietnamese linguistiek: één lettergreep, één woord. Gelinkd aan neologismen geeft dit de volgende woorden: So Co La, Hot Toc, Tie Vie en O To. Zeer grappig, maar het Engels wil maar niet vlotten. “Where are you from” lukt net, maar ons antwoord “Belgium, small country, great nation” blijkt al een brug te ver. Met het opnemen van bestellingen gaat het toch steevast fout, hoe goed alles ook genoteerd wordt. Azië heeft veel te vroeg het schrift uitgevonden en daar heeft hun geheugen blijkbaar onder geleden. Of zijn communisten en waarheid nooit een goeie mix geweest?

Na Sa Pa, vliegen we naar Nha Trang – Blankenberge – waar we ons inschrijven voor een duikcursus. Drie dagen, 250 blz., 3 dvd’s, 4 duiken tot 12 meter diep en een examen later, kunnen we onszelf “Certified Open Water Divers” noemen. Een gevoel van gewichtloosheid, zweven tussen koraalmuren als een ‘druppel in de oceaan’, speuren naar vissen in de kleuren van alle mogelijke voetbalploegen … zeker niet onze laatste duik. ’s Avonds bestellen we 10 krabben voor ons vier aan een bespottelijke prijs en zuigen in één uur tijd die beesten geheel leeg, net zoals we tot dusver het beste uit Vietnam zogen.

Na 4 dagen Nha Trang, nemen de nachttrein naar Saigon, of beter, Ho Chi Minh City, maar in het zuiden telt het communisme minder. Saigon is één gigantische, open supermarkt. Het virus kapitalisme heeft al heel wat slopingswerk geleverd, een Fluwelen Revolutie is hier slechts enkele jaren meer verwijderd. Vietnamezen zijn nooit echt vatbaar geweest voor het communisme, niet enkel hebben ze daarvoor te veel humor, maar zelfs de Vietnamese Mao, Ho Chi Minh (“Uncle Ho”), zei ooit dat “I’d rather smell French shit for 5 years, than Chinese shit forever”. Vietnamezen zijn een eigenzinnig volkje, hun schrift werd ontworpen door een Franse Jezuïet, hun discipline komt van het Chinese confucianisme, terwijl ze toch opteerden voor het sovjetcommunisme, de afwezigheid van criminaliteit vindt zijn wortels in het bouddhisme, en ze zijn uitvinders van een eigen religie – Cao Dai – met als heilige o.a. Victor Hugo, u begrijpt dat dit alles slechts verteerbaar wordt dankzij een stevige saus aan humor! Onbegrijpelijk dat deze mannetjes van rond de 40 kilo, die hun riem twee maal rond hun middel draaien, de VS kansloos naar huis stuurden, weliswaar ten koste van 3 miljoen doden. We maken dan ook vanuit Saigon een dagtrip naar de Cu Chi Tunnels (juist …), tunnels waarin de Vietcong zich verscholen voor Amerikaanse bombardementen. We krijgen er de laatste stuiptrekking van het communisme geserveerd (buiten de vrij acurate perscensuur, toegegeven): een video waarin het heldendom van de “American killer hero” wordt geprezen. Voor een dollar per kogel kan je hier met de wapens van toen ook echt schieten, en prijzen winnen! Geen woord over het leed aan weerskanten, menselijkheid is niet de point fort van het communisme.

De dag erna vertrekken we opnieuw vanuit Saigon voor een tweedaagse boot- en bustocht door de Mekong delta, waar de film L’Amant zich afspeelt. De regisseur heeft echt wel het maximum uit deze regio gehaald … we bezoeken er ook nog een markt te water en veel te veel “tourist traps” (craftsmarkets, kinderkoor, rijstfabriek, …), meer is er hier niet echt te zien.

Terug in Saigon worden we ’s avonds in de bar getrakteerd op de liefdesserenade van een wat oudere Fransman gericht tot een Vietnamese hoer “l’amour, c’est gratuit … je veux te marier …”, we veranderen zelfs van tafel om de draad van het verhaal niet te verliezen.

De terugkeer naar België is een estafette van vier vluchten in 48 uur: van Saigon naar Hanoi, naar Singapore, naar Zurich en dan Zaventem. Maar in Singapore maken we van de 6 uur speling om de stad te bezoeken, geleid door Hans, die daar een stage doet. Een reis van 8 vluchten en drie nachttreinen, gaand van 3000 m hoogte naar 12m diep in de oceaan, sluiten we af met een glas champagne aan een tafeltje op het 70ste verdiep van de hoogste toren in Singapore met een adembenemend zicht over de skyline by night (waarvoor nogmaals dank, Kayaert!). Geland in België, blijkt het vervellingsproces al begonnen, de reishuid is blijkbaar al aan het lossen, terwijl een nieuwe huid klaar is voor de dienst … vanaf donderdag was ik weer op post, maar zondag wacht De Gordel, afspraak om 8 uur aan de kerk van Ro als je wil weten wie zijn vespa in Hanoi crashte en nog betere verhalen wil horen, ongecensureerd! At least we can say, “I survived ‘Nam”.

Print Print

Geef een reactie




No comments yet.

About

Over deze Blog

We mogen hierbij niet enkel naar de dingen kijken zoals ze zijn en ons afvragen: waarom? Het is hoog tijd om nieuwe ideeen te lanceren en ons af te vragen: waarom niet?

Peter’s Twitter
 
RSS